Extra sterfte door complicaties patiënten chronische Q-koorts

Naar schatting zijn tussen 2007 tot 2011 in Nederland 45.000 mensen, voornamelijk in Oost-Brabant, besmet geraakt met Coxiella burnetii, de bacterie die Q-koorts veroorzaakt. Het was zo ver bekend de grootste uitbraak van Q-koorts in de wereld. Arts-onderzoeker Sonja van Roeden deed onderzoek in het UMC Utrecht en Jeroen Bosch Ziekenhuis naar de langetermijngevolgen van deze uitbraak. Daaruit blijkt dat tussen 1 en 5 procent van de patiënten een chronische vorm van Q-koorts kregen en dat bij 60 procent van hen complicaties optraden. Een kwart van deze patiënten overleed binnen 3 jaar aan de gevolg van de infectie.

Sonja van Roeden analyseerde voor haar proefschrift de gegevens van 439 volwassenen die tijdens deze uitbraak een chronische vorm van de ziekte hadden ontwikkeld met behulp van gegevens uit de nationale chronische Q-koortsdatabase.

Relatief hoge sterfte
Eind 2016 waren er al 74 patiënten in Nederland overleden aan de gevolgen van Q-koorts en besmetting die was opgelopen tijdens de uitbraak tussen 2007 tot 2011. Uit de resultaten blijkt verder dat met name ouderen met ontstekingen van het hart- en vaatstelsel en die complicaties krijgen extra risico lopen om op termijn aan de infectie te overlijden.

Daarnaast meldt 55 procent van de patiënten met chronische Q-koorts op langere termijn een verminderde kwaliteit van leven. De belangrijkste oorzaak was dat ze langdurig (minimaal anderhalf jaar) behandeld moesten worden met meerdere soorten antibiotica. Het resultaat van deze behandeling was vaak teleurstellend én zorgde bij veel patiënten voor bijwerkingen, aldus het proefschrift.

De algehele sterftekans was 34% (110 van de 323 onderzochte casussen) voor bewezen
of waarschijnlijke chronische Q-koortspatiënten. Bij 63 patiënten hing deze sterfte bewezen samen met chronische Q-koorts (25%) en bij drie patiënten waarschijnlijk (4%). “We concluderen dat complicaties vaak voorkomen en bijdragen aan de mortaliteit bij chronische Q-koortspatiënten”, aldus Sonja Roeden.

Non-Hodgkinlymfoom
In het proefschrift worden ook drie studies beschreven naar mogelijke samenhang tussen besmetting met Coxiella burnetii en non-Hodgkinlymfoom. Dit naar aanleiding van weefselonderzoek bij een patiënt met non-Hodgkinlymfoom bij wie weefsel uit het buikvlies sterk positief was voor de aanwezigheid van Coxiella burnetii. Aanvullend onderzoek leverde echter geen bewijs op dat het aantal patiënten met non-Hodgkinlymfoom tussen 2007 en 2011 in Nederland is gestegen ten gevolge van besmetting met Coxiella burnetii. De onderzoeker tekent daarbij aan dat door de opzet van de studie sprake kan zijn van een onder- en overschatting van het verband.

Om dit mogelijke verband meer in detail te bestuderen, ging Sonja Roeden na of de bacterie vaker voorkomt in het non-Hodgkin-weefsel van patiënten die eerder zijn besmet met Coxiella burnetii in vergelijking met non-Hodgkin-patiënten zonder besmetting. De bacterie werd, afhankelijk van de gebruikte diagnostische methode, aangetroffen in het weefsel van 8/29 (28%), 5/13 (38%) en 3/16 (19%) van de onderzochte patiënten. Sonja Roeden concludeert op basis van deze uitkomsten dat de aanwezigheid van Coxiella burnetii in non-Hodgkin-weefsel een niet-specifieke bevinding is.

Coxiella burnetii
Q-koorts wordt veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii. Bij de meerderheid van de patiënten verloopt de infectie zonder dat ze er iets van merken. Echter, bij 35 tot 40 procent van de geïnfecteerde personen treden na de infectie relatief milde symptomen op en ontstaat vervolgens acute Q-koorts met symptomen zoals griepachtige verschijnselen en soms longontsteking en hepatitis. Bij 1 tot 5 procent van de patiënten blijft de bacterie in het lichaam aanwezig en ontwikkelt zich chronische Q-koorts.

In tegenstelling tot acute Q-koorts is de prognose van chronische Q-koorts ongunstiger: vaak krijgen patiënten te maken met ernstigere complicaties en deze kunnen levensbedreigend zijn. “Van de ziekten die worden overgedragen van dier op mens heeft Q-koorts de meeste impact op patiënten in de recente Nederlandse geschiedenis. Een verdenking op chronische Q-koorts, bijvoorbeeld bij een patiënt met een hartklepontsteking, moet daarbij worden bevestigd met behulp van onder andere bloedonderzoek”, zegt Sonja van Roeden.

Dit bericht is geplaatst in Dierziekten, Geitenhouderij, Gezondheidsonderzoek, Kanker, Q-koorts, Zoönosen. Bookmark de permalink.

2 reacties op Extra sterfte door complicaties patiënten chronische Q-koorts

  1. koekoeksjong schreef:

    Er kunnen containers vol proefschriften, en rapporten worden geschreven, maar zo lang “Den Haag”, geen vin verroert, en stijfkoppig, hardhorig, hardnekkig, hardleers, en soms hardhandig, uitsluitend de belangen der vee-industrie behartigt, is dit vergeefse tijd en moeite. Bij “hardhandig” denk ik aan de gigastal te Grubbenvorst. Waarvoor de toenmalige landbouwminister “desnoods de wet zou aanpassen”. Den Haag slaapt verder: het is voor hen de ver- van- mijn -bed -show…

    • koekoeksjong schreef:

      Een nieuw bewijs van de “Haagse” onverschilligheid, is hoe er wordt omgegaan met de q-patiënten. Om voor vergoeding in aanmerking te komen, moet deze epidemie bij u zijn vastgesteld in 2007-2011. Iemand als de kleine Emma, die “pas” enkele jaren ziek is, krijgt niets…. En dat staat niet eens in de kleine lettertjes!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.