WAGENINGEN / UTRECHT – In Nederland worden jaarlijks ruim 800.000 zeugen en 2,4 miljoen biggen onbedoeld blootgesteld aan antibiotica zonder dat veehouders hiervan op de hoogte zijn. Sinds 2006 is het in de EU verboden om antibiotica toe te voegen aan veevoer, met uitzondering van medicinaal veevoeder op indicatie en voorschrift van een dierenarts. Tijdens de productie van dit medicinale veevoeder blijven echter aanzienlijke hoeveelheden achter in de productielijn. Deze restanten, meestal verrijkt met antibiotica, verdwijnen vervolgens geruisloos als ‘normaal’ voer voor biggen en zeugen. Dat staat te lezen in een onderzoek uit 2010 van het Instituut voor Voedselveiligheid (Rikilt, verbonden aan Wageningen Universiteit) en de Voedsel en Waren Autoriteit (onderdeel van het ministerie van Landbouw).
Mengvoederfabrikanten hebben een speciale vergunning nodig om gemedicineerde diervoeders te mogen produceren. In Nederland beschikken in totaal 123 veevoederbedrijven over een dergelijke vergunning. Met deze vergunning is het toegestaan om veevoer te produceren met antibiotica (premix) op attest van een dierenarts. Een zeer ongewenst neveneffect is dat tijdens de productie van dit medicinale veevoer resten antibiotica achterblijven in de productielijn en terechtkomen in niet daarvoor bestemd partijen veevoer. Dit wordt ‘versleping van antibiotica’ genoemd. Het onbedoeld blootstellen van dieren aan antibiotica heeft als risico dat hierdoor resistentievorming in de hand wordt gewerkt.
Versleping medicinale voeders
Om te voorkomen dat voerrestanten met antibiotica op verkeerde plaatsen in de voederketen terecht komen, zijn er afspraken gemaakt met de veevoederindustrie over ‘versleping van medicinale voeders’. Deze afspraken zijn vastgelegd in het GMP+ systeem. Het gaat daarbij om kritische diervoeders als eierleggende kippen, melkvee en voeders voor varkens in de laatste maanden voor de slacht. In de praktijk betekent dit dat na de productie van medicinale veevoeders één of meer ‘spoelcharges’ moeten worden uitgevoerd. Dit ‘vervuilde’ veevoeder wordt vervolgens bestemd voor ‘niet-kritische diersoorten’ zoals biggen of zeugen aangezien deze dieren doorgaans niet direct worden geslacht en opgegeten. Veehouders zijn in de meeste gevallen niet op de hoogte dat er onbedoeld antibiotica in het voer zit dat ze geleverd krijgen.
87 procent monsters bevat antibiotica
Om te controleren of de veevoederfabrikanten zich houden aan de afspraken over ‘versleping van medicinale voeders’ heeft het Instituut voor Voedselveiligheid in samenwerking met de Voedsel en Waren Autoriteit 21 mengvoederbedrijven in Nederland aan een nader onderzoek onderworpen. Het onderzoek beperkte zich tot spoelvoeders bestemd voor varkens. Wat blijkt? Van de in totaal 140 onderzochte (eerste) spoelvoeders bevatten 122 charges (87%) een antibioticum. De volgende middelen en concentraties werden aangetroffen:
- 46x oxytetracycline (0,8 tot 154 mg/kg)
- 17x sulfamethoxazol (0,4 tot 23 mg/kg)
- 18x tilmicosin (0,1 tot 38 mg/kg)
- 16x sulfadiazine (1,0 tot 63 mg/kg)
- 11x amoxicilline (0,1 tot 8.9 mg/kg)
- 7x tylosine (0,6 tot 6,0 mg/kg)
- 4x lincomycine (1,1 tot 2,9 mg/kg)
- 2x doxycycline (0,5 tot 17 mg/kg)
- 2x tiamulin (0,6 tot 1,1 mg/kg)
Naast de 140 eerste spoelcharges die hierboven zijn genoemd, keken de onderzoekers ook naar de aanwezigheid van antibiotica na de tweede en derde spoelcharge. In 21 van de 29 monsters zaten lage concentraties van middelen als sulfadiazine, sulfamethoxazol, amoxicilline, tilmicosine en oxytetracycline.
Twee veevoederbedrijven weigerden medewerking te verlenen aan het onderzoek, ook na herhaald verzoek van de Voedsel en Warenautoriteit. Welke dat zijn, vermeld het onderzoek niet. Eén bedrijf bleek spoelcharges in een aparte silo op te slaan en deze uitsluitend in te mengen in mengvoeder bestemd voor derde landen (buiten EU). Een vierde bedrijf viel buiten het onderzoek, omdat daar een zogeheten bulkblender (Pegasusmenger) werd gebruikt.
Overmatig en verkeerd gebruik
Sinds 2006 geldt in de EU een totaal verbod op het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar en mag antibiotica in de veehouderij alleen nog worden toegepast ter behandeling of voorkoming van dierziekten op voorschrift van een dierenarts. De vraag is of deze maatregel effectief is. De onderzoekers stellen namelijk dat de gevonden niveaus aan antibiotica in dezelfde range liggen als de eerder vanwege resistentieproblemen verboden antimicrobiële groeibevorderaars. “Het is daarom zeer aannemelijk dat deze niveaus voor selectiedruk in de bacteriële darmflora zorgen, en hiermee bijdragen aan de ontwikkeling van resistentie.”
Door overmatig en verkeerd gebruik van antimicrobiële stoffen is met name in de laatste decennia het aantal resistente bacteriën sterk toegenomen. Ondanks het verbod op het bijmengen van antibiotica is het gebruik van deze middelen in de veehouderij tot 2008 sterk toegenomen. Ook het percentage resistente bacteriën onder landbouwhuisdieren vertoont nog steeds een stijgende lijn. In hoeverre versleping van antibiotica bijdraagt aan deze toegenomen resistentie, is volgens de onderzoekers onduidelijk. “Maar gelet op de ervaring met antimicrobiële groeibevorderaars is dit zeker een realistisch scenario.”
Risico op ongewenste blootstelling
Om het risico op ongewenste blootstelling in kaart te brengen, voerden de onderzoekers berekeningen uit om te achterhalen hoe groot de kans is dat dieren in Nederland vervuild voer in hun voederbak aantreffen. Bij de meeste mengvoederbedrijven worden veehouders elke 1,5 week voorzien van een nieuwe partij mengvoeder. Indien sprake is van levering van een partij ‘vervuild’ veevoer, betekent dit volgens de onderzoekers dat de dieren op zo’n bedrijf tenminste 1,5 week ongewenst worden blootgesteld aan antibiotica.
De onderzoekers: “Op basis van een aantal macrogegevens kan dan berekend worden dat 11% van de biggen, 12% van de vleesvarkens in de startvoeder periode, 0,7% van de vleesvarkens in de groeiperiode, 38% van de opfokzeugen, 57% van de dragende zeugen en zelfs 100% van de lacterende zeugen jaarlijks minimaal eenmalig blootgesteld worden aan antibiotica, die via versleping (op subadditief niveau) in het diervoeder aanwezig zijn.”
Ruim 800.000 zeugen en 2,4 miljoen biggen blootgesteld
Omgerekend betekent dit volgens de onderzoekers dat jaarlijks de volgende aantallen dieren gedurende 1,5 week onbedoeld worden blootgesteld aan lage doseringen antibiotica:
- ruim 169.000 opfokzeugen
- ruim 450.000 dragende zeugen
- ruim 194.000 lacterende zeugen
- 2.440.000 biggen
- ruim 123.000 varkens (tot aan de slacht)
Spoelvoeders voor varkens worden met name gevoerd aan vleesvarkens in de startvoeder periode (42%) en aan zeugen (36%). “Omdat ook zeugen uiteindelijk in het slachthuis belanden, is het de vraag of het gewenst is dat zeugenvoeders als spoelvoeder gebruikt worden. Daarnaast wordt ook een percentage biggen als speenbig in Nederland geslacht”, aldus de onderzoekers. In vier gevallen was het spoelvoeder zelfs bestemd voor vleesvarkens vanaf 50 kg tot aan de slacht.
Uit bovenstaande tabel blijkt dat een spoelcharge met medicinaal veevoeder gemiddeld meer dan 6 ton bedraagt. De grootst aangetroffen partij bedroeg 24 ton. In totaal wordt er in Nederland 124.000 ton medicinaal veevoer per jaar geproduceerd, exclusief de spoelcharges.
Spoelen met medicinaal veevoeder
Een bijkomend probleem is dat de meeste mengvoederbedrijven ervoor kiezen om medicinale voeders direct na elkaar te produceren om het aantal spoelcharges te beperken. In feite wordt het productiesysteem dan telkens schoongespoeld met ander medicinaal veevoer. Daardoor ontstaan er allerlei ongewenste combinaties met antibiotica. Dit kan positieve uitpakken (synergisme), neutraal of negatief (antagonisme).
In dit onderzoek bleek dat in ruim 40 procent van de gevallen in de 4 producties voorafgaand aan het maken van gemedicineerd voer één of meer andere gemedicineerd voeders werden geproduceerd. In 12 van de 140 (eerste) spoelcharges troffen de onderzoekers daadwerkelijk residuen van eerdere gemedicineerde producties aangetroffen. Ook troffen de onderzoekers 7 productieschema’s aan, waarbij twee gemedicineerde voeders direct na elkaar werden geproduceerd met elkaar tegenwerkende antibiotica. Naar de effecten hiervan op lange termijn is het slechts gissen.
Concrete verslepingsnormen ontbreken
Onlangs zijn Europese verslepingsnormen voor coccidiostatica (toegelaten als diervoeder-additief) in niet-doeldiervoeders vastgesteld. Deze liggen op 1-3% van het maximale toegestane gehalte. Tot dusver ontbreken dergelijke normen voor de versleping van antibiotica. Het punt is namelijk dat er met de veevoederindustrie wel afspraken zijn gemaakt over het toepassen van ‘spoelcharges’, maar dat er verder geen concrete normen zijn vastgelegd over maximaal toegestane versleping van antibiotica. Om toch een beeld te krijgen van de omvang van het verslepingsprobleem werden de onderzochte monsters getoetst aan de verslepingsgrenzen van 1% en 3%.
Uit bovenstaande figuur blijkt dat 27 van de 140 monsters (19%) meer dan 3% versleping van antibiotica bevat. Dit doet zich vooral voor bij oxytetracycline en tilmicosine. “Wanneer voor spoelvoeders voor varkens een 1% tolerantie gehanteerd zou worden, dan zouden 65 van de 140 monsters (46%) niet voldoen”, aldus de onderzoekers.
Bleker schermt met 2,5% norm
Staatssecretaris Bleker heeft op 8 december 2010 in een brief aan de Tweede Kamer toegezegd dat hij het verslepen van antibiotica gaat aanpakken:
“Ik zal mij in de EU inzetten voor een Europese norm voor toelaatbare gehaltes aan versleping van resten antibiotica en/of gemedicineerde voeders naar een volgende productiecharge in de veevoederfabriek. Vooruitlopend daarop zal ik, op basis van het laatste advies van Bureau Risicobeoordeling (nVWA) de nVWA alvast handhavend laten optreden wanneer zij aanlopen tegen een percentage versleping van 2,5% of meer van de laagste toegestane dosering in diervoeders”, schrijft Bleker aan de Kamer.
Volledig stoppen met antibiotica in veevoer
Uit dit onderzoek van het Instituut voor Voedselveiligheid en de Voedsel en Waren Autoriteit blijkt dat de veevoerfabrikanten in Nederland de 2,5% norm ruimschoots overschrijden. Stoppen met de productie van gemedicineerd voer is praktisch gezien de enige optie om aan de verslepingsnorm te voldoen.
De Nederlandse Vereniging van Diervoerderindustrie (Nevedi) kondigt in haar jaarverslag 2009 – 2010 aan te willen stoppen met de productie van mengvoeders met antibiotica. Dit zou gebeuren in overleg met dierenartsen, veehouders en LTO Nederland. Nevedi verwacht dat “in de zomer van 2011 het besluit genomen gaat worden vanaf wanneer er géén diervoeder met antibiotica meer wordt geleverd door de diervoederindustrie.” De bedoeling is deze afspraken te verankeren in het GMP+ systeem en de twee Integrale Keten Beheersingsystemen voor varkens…
Agrifirm Feed stopt per 1 augustus 2011
Agrifirm Feed, de holding van onder meer veevoederfabrikant Cehave, kondigde vrijdag 15 juli aan per 1 augustus 2011 te stoppen met het produceren van gemedicineerd voer. Wanneer mengvoerbedrijven overschakelen op antibioticavrije productie moeten zij certificaat aanvragen. Agrifirm hoopt dit certificaat per 1 september op zak te hebben.
Meer informatie:
- Rapport: Omvang en implicaties van antibiotica-versleping in mengvoeders voor varkens
- Index nieuwsberichten: Antibiotica & veehouderij
- Website: GMP+ Food Safety Assurance
- Voorstellen: Taskforce Antibioticaresistentie Dierhouderij
- Nevedi: Diervoer met ambitie (Jaarverslag 2009 – 2010) (pdf)













