VENHORST – Stichting Mens, Dier & Peel en Milieuvereniging Land van Cuijk vinden dat mestfabrieken geen bijdrage leveren aan het oplossen van het mestoverschot en de mineralenproblematiek. Deze installaties verplaatsen het probleem hooguit. De enig échte oplossing is minder import van grondstoffen en inkrimping van de veestapel, zodat er op termijn weer een (regionaal) gesloten kringloop ontstaat. Die visie kwam dinsdag 27 maart aan de orde tijdens een informatie-avond over mest(be)verwerking in dorpshuis De Horst in Venhorst. De bijeenkomst trok ruim honderd belangstellenden onder wie politici, veehouders en bewoners.
Wim Verbruggen (Milieuvereniging Land van Cuijk) verzorgde een presentatie, waarin hij aandacht schonk aan de omvang van het mineralenprobleem en een aantal oplossingen die door de veesector worden voorgesteld om dat probleem op te lossen. De kern van het probleem is de enorme hoeveelheid mest afkomstig van de intensieve veehouderij. Met mest wordt in dit geval ‘dunne mest’ (drijfmest) bedoeld. Deze bestaat voor 90 procent uit water met daarin opgelost mineralen (stikstof, fosfor en kalium) en daarnaast circa 10 procent organische stof
Milieu zwaar belast
De mineralen (stikstof, fosfor en kalium) in de mest zorgen voor ernstige belasting van het milieu. Naast luchtvervuiling en stank (ammoniak) leidt dit tot onder meer vervuiling van het grondwater (extra kosten waterwinning en overmatige algengroei), fosfaatverzadiging van akkers en weilanden, vergrassing en afname biodiversiteit van natuurgebieden, enz. Met name in de Peelregio is vermesting van de natuur een groot probleem. Daarnaast zorgt de import van grote hoeveelheden soja uit onder andere Zuid-Amerika (Amazone) voor ontbossing, uitputting van de bodem, erosie en gebruik van bestrijdingsmiddelen.
In Nederland wordt in totaal ruim 67 miljard kilo dunne mest geproduceerd. Hiervan wordt 8,3 miljard kilo uitgepoept door de veestapel in de Peelregio (grensstreek Brabant en Limburg) ofwel 12 procent van het Nederlands totaal. Om de omvang van die hoeveelheid beter te illustreren, werd de totale hoeveelheid dunne mest door Wim Verbruggen omgerekend naar het aantal vrachtwagens met een laadvermogen van 32 ton. Voor heel Nederland komt dat neer op ruim 2 miljoen vrachtwagens en 544.000 vrachtwagens voor de Peelregio.
Peelregio: 60 procent mestoverschot

Het Compendium voor de Leefomgeving heeft voor de drie belangrijkste mineralen (stikstof, fosfor en kalium) uitgerekend hoeveel hiervan door Nederland wordt ingevoerd en hoeveel producten en reststromen er weer worden afgevoerd. Uit deze cijfers blijkt dat er in Nederland een overschot is van 14 miljoen kilo fosfor (16 procent van het totaal) en maar liefst 375 miljoen kilo stikstof (52 procent van het totaal). Deze mineralen kunnen niet opgenomen worden door planten (gras, bieten, mais, etc) en verdwijnen dus in het milieu (bodem, grondwater en lucht).
Alternatief voor kunstmest?
De veesector denkt het mineralenoverschot op te lossen door tientallen grote en kleine mestfabrieken te bouwen in de Peelregio. Als lonkend perspectief wordt daarbij het terugwinnen van fosfor genoemd; een mineraal dat steeds schaarser wordt. Het aandeel fosfor uit kunstmest dat wordt gebruikt in Nederland bedraagt echter maar 5 procent.

Diverse technieken
In het vervolg van de presentatie stond Wim Verbruggen stil bij een aantal vormen van mestverwerking en de bijdrage die deze technieken kunnen leveren aan de oplossing van het probleem. De eenvoudigste methode is verwarmen van de mest gedurende een uur (pasteurisatie om ziektekiemen te doden), waarna de mest naar het buitenland kan worden geëxporteerd. Iets complexer is een mechanische techniek, waarbij de dikke mest wordt gescheiden wordt van de dunne mest. Netto leveren beide technieken nagenoeg geen besparing op van de transportkosten, en ook géén reductie op van de mineralen (de hoeveelheid mineralen blijft immers gelijk).

Biogas: zelfs extra mineralen
Ook de vierde methode, biogas, levert geen structurele oplossing op van het probleem. Om biogas te produceren heb je vooral organisch materiaal nodig. Zoals hierboven uiteengezet bestaat dunne mest voor 90 procent uit water (dat niet brandt!) en voor slechts 10 procent uit organische stof. Om een biogascentrale op dunne mest te laten draaien, moeten er dus extra organisch materiaal worden toegevoegd. Dat kan mais zijn of reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie (bijvoorbeeld aardappelschillen). In beide gevallen gaat dit echter ten koste van de voedselaanvoer voor het vee zelf.

Mestfabrieken geen oplossing
Leveren mestfabrieken een bijdrage aan het oplossen van het mineralenprobleem? Het antwoord is ‘nee’. De voorgestelde technieken zijn vooral gericht op het reduceren van de transportkosten, maar leveren geen werkelijke bijdrage aan het herstellen van de verstoorde kringlopen. De enig échte oplossing is drastisch verkleinen van de import van grondstoffen uit andere werelddelen en het verbouwen van grondstoffen voor het vee in de regio, zodat de natuurlijke kringlopen (mest terug op het land) weer zo goed mogelijk in ere worden hersteld.

Door in te zetten op de bouw van mestfabrieken laat de politiek de oren teveel hangen naar de korte termijn wensen van de markt en houdt daarmee een compleet uit de hand gelopen systeem juist in stand. En dan zijn risico’s voor de volksgezondheid, overlast (luchtvervuiling, vrachtverkeer), milieu (vervuiling, ammoniak) enzovoort zelfs nog buiten beschouwing gelaten.
- Download: presentatie_mestfabrieken_27_03_2012
Milieuvereniging Land van Cuijk en stichting Mens, Dier & Peel
Gerelateerde artikelen:
- Bleker: geen subsidie meer voor mestverwerking
- Eurocommissaris plaatst vraagtekens bij mestverwerking…
- Mestfabrieken leveren geen bijdrage aan beter milieu










