Brief Peelgroepen aan staatssecretaris over geurbeleid

binnenhof_veehouderijDE PEEL / DEN HAAG – De gezamenlijke bewoners- en milieugroepen in de Peelregio hebben staatssecretaris Wilma Mansveld een brief gestuurd met daarin een reactie op de brief die Gedeputeerde Staten van Brabant aan haar heeft gezonden over het rekenmodel (V-Stacks) waarmee de geurhinder van veebedrijven wordt berekend. In de brief geven de Peelgroepen aan dat er veel meer fout zit. Zo wordt de geurbelasting van melkveebedrijven, nertsenfarms, mestfabrieken en het uitrijden van mest niet eens meegeteld in de Wet Geurhinder en Veehouderij. Raar maar waar.

Geachte mevrouw Mansveld,

U hebt op 22 april 2014 een brief ontvangen van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant over het geurhindermodel V-Stacks. In die brief geven GS aan dat ze ernstig twijfelen aan de betrouwbaarheid van dit rekenmodel; het model waarop de systematiek van de Wet Geurhinder en Veehouderij is gebaseerd. Dit betekent volgens GS dat er momenteel geen betrouwbaar instrument voorhanden is op basis waarvan gemeenten vergunningaanvragen kunnen honoreren dan wel weigeren. In de brief wordt verder aangegeven dat het provinciebestuur van Brabant zich ernstig zorgen maakt over deze situatie in verband met de vergunningverlening door gemeenten en de oproep aan de gemeenten in Brabant om voortvarend aan de slag te gaan met de ‘transitie naar een duurzame veehouderij’. GS gaan vervolgens verder in op de onbetrouwbaarheid van het V-Stacks-model.

Het feit dat Gedeputeerde Staten van Brabant nu pas aan de bel trekken over de betrouwbaarheid van het V-Stacks-model wekt bij ondergetekenden verbazing. De afgelopen jaren hebben milieugroepen uit de Peel, waaronder Milieuvereniging Land van Cuijk, diverse malen gewezen op het gebrek aan validiteit van dit model bij juridische procedures en bestuurders. In dit verband wijzen wij u ook op het rapport ‘Relatie tussen geurimmissie en geurhinder in de intensieve veehouderij’ van onderzoeksbureau Odournet (VROM07A3, april 2007). In dit rapport wordt onder andere het volgende gesteld:

In de Richtlijn veehouderij en geurhinder 1996 zijn vier omgevingscategorieën onderscheiden: 1, 2, 3 en 4. De categorieën 1 en 2 komen redelijk overeen met de bebouwde kom, de categorieën 3 en 4 komen redelijk overeen met buiten de bebouwde kom. In PRA 2001 is expliciet onderzocht of sprake is van verschil in hindergevoeligheid tussen deze omgevingscategorieën. Er bleek geen verschil in hindergevoeligheid te zijn tussen de categorieën 1, 2, 3 en 4.

Hieruit volgt dat de relatie tussen geurimmissie en percentage geurgehinderden binnen en buiten de bebouwde kom gelijk is. Behalve het percentage geurgehinderden, is echter ook het absolute aantal geurgehinderden van belang. Bescherming van de bebouwde kom heeft meer effect op het absolute aantal gehinderden dan bescherming van het buitengebied. Bijvoorbeeld: 25% hinder in een gebied met 10 inwoners betekent dat 2 à 3 mensen hinder ondervinden, terwijl 25% hinder in een gebied met 1.000 inwoners betekent dat 250 mensen hinder ondervinden.

Het is daarom raadzaam om behalve naar de te verwachten hinderpercentages ook steeds te kijken naar absolute aantallen gehinderden. Op grond hiervan is het verdedigbaar om voor de bebouwde kom een strengere eis te stellen dan voor buiten de bebouwde kom.

In het V-Stacks-model wordt enkel gekeken naar de emissie van afzonderlijke bedrijven en dus geen rekening gehouden met de cumulatie van meerdere veebedrijven in een gebied. Verder blijft de brief van Gedeputeerde Staten van Brabant beperkt tot de verspreiding van geur op basis van verschillen in gebouw- en emissiehoogte. Dit is naar onze mening een marginale, om niet te zeggen theoretische, discussie. Daarom wijzen wij u op een aantal veel grotere hiaten in de Wet Geurhinder en Veehouderij en daarmee samenhangende problematiek:

  1. In de Wet Geurhinder en Veehouderij wordt géén rekening gehouden met stankoverlast afkomstig van melkveebedrijven, nertsenfarms, uitrijden van mest op akkers en weilanden en mestfabrieken. Wij vinden dat onbegrijpelijk. Hoe kan het dat deze prominente geurbronnen niet worden meegerekend bij het vaststellen van stankoverlast? Onbegrijpelijk is bovendien dat er voor de industrie andere geurnormen worden gehanteerd dan voor veebedrijven.
  2. Met de lucht uit veestallen worden tevens aanzienlijke hoeveelheden fijnstof (PM10) verspreid. In dit verband wijzen wij op de Monitoringsrapportage ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 2013’ van het RIVM (december 2013). Daarin staat dat de normen voor fijnstof vooral overschreden worden in gebieden met veel intensieve veehouderijen in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg.
  3. Samen met het fijnstof komen er endotoxinen in het milieu terecht. GGD Nederland wijst in de notitie ‘Intensieve veeteelt en volksgezondheid’ (4 september 2013) dat uit diverse wetenschappelijke studies valt af te leiden dat er in de directe omgeving van intensieve veehouderijen aantoonbare hogere blootstelling is aan fijnstof, geur, endotoxines, v-MRSA en mogelijk andere zoönosen.
  4. De casus in Gemert-Bakel waarop GS Brabant in de brief wijst, betreft de bouw van een groot pluimveebedrijf aan de Paradijs in Elsendorp. Op korte afstand van dit bedrijf bevinden zich een groot aantal varkensbedrijven. In het rapport ‘Volksgezondheids-aspecten van veehouderij – megabedrijven in Nederland; zoönosen en antibioticumresistentie’ (RIVM, 2008) wordt aangegeven dat tussen pluimvee- en varkensbedrijven een afstand van 1.000 tot 2.000 meter aangehouden dient te worden. Dit in verband met het risico op de verspreiding en mutatie van dierziekten en het ontstaan van zoönosen (met name influenza). Uit recente berekeningen die Mens, Dier & Peel en Milieuvereniging Land van Cuijk hebben laten uitvoeren, blijkt dat ruim 90 procent van alle pluimveebedrijven in Brabant is gevestigd binnen een afstand van 1.000 meter ten opzichte van een nabijgelegen varkensbedrijf. Omgekeerd bevindt 69 procent van alle varkenshouderijen zich binnen een straal van 1.000 meter van een pluimveebedrijf. Over dat risico wordt niets gezegd in de brief van GS Brabant.
  5. Uit het rapport ‘Duurzaamheid intensieve veehouderij: vervolgonderzoek 2013’ van de Algemene Rekenkamer (mei 2013) blijkt dat het ammoniak- en stikstofbeleid van de rijksoverheid onvoldoende effectief is om het verlies aan biodiversiteit te keren. Luchtwassers die de ammoniakuitstoot moeten tegengaan, blijken in de praktijk niet volgens voorschrift te functioneren of zijn zelfs helemaal niet geïnstalleerd te zijn. Ook het RIVM stelde in het rapport ‘Naleeftekorten bij luchtwassers in de intensieve veehouderij. Effect op emissie(-reductie) van ammoniak’ in 2012 al vast dat er het nodige schort aan luchtwassers.
  6. Door niet of slecht functioneerde luchtwassers is er in 2010 circa 2,5 miljoen kg ammoniak extra in het milieu terechtgekomen. Dat blijkt uit onderzoek ‘Toezicht- en naleeftekorten bij de IPPC branche intensieve veehouderij; Onderzoek naar luchtwassystemen en het effect op de ammoniakemissie’ dat de Inspectie Leefomgeving en Transport in 2012 heeft gepubliceerd. Volgens dit rapport blijven overheden in ernstige mate in gebreke als het gaat om het toezicht op en naleving van regels rondom luchtwassers in de intensieve veehouderij. Niet vreemd dat bewoners in de Peelregio massaal klagen over stankoverlast.
  7. Ook de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) om de stikstofdepositie terug te dringen (die onlosmakelijk verbonden is met geuroverlast), schiet volgens het eerder genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer tekort. In dit verband wijzen wij u ook op het standpunt van Stichting Werkgroep Behoud de Peel die heeft berekend dat de reductie die met de PAS kan worden behaald nog geen 5 procent bedraagt, waardoor de kritische depositie in de Peel nog steeds ver wordt overschreden. De rechter zal het legaliseren van toenames van deposities die zonder de vereiste vergunning zijn gerealiseerd, zoals met de PAS dreigt te gebeuren, niet toestaan. De PAS zal daarom in deze vorm bij de Raad van State geen stand houden, aldus Werkgroep Behoud de Peel.

Uit bovenstaande aandachtspunten kunt u opmaken dat de stankoverlast afkomstig van de intensieve veehouderij en de hiaten rondom deze problematiek veel verder reiken dan het V-Stacks-model. We rekenen erop dat u deze problematiek voortvarend en integraal gaat aanpakken, zodat burgers concreet beschermd worden tegen stankoverlast en andere risico’s die samenhangen met de luchtkwaliteit.

Met vriendelijke groeten,

De gezamenlijke bewoners- en milieugroepen in de Peelregio.

Dit bericht is geplaatst in Actie, Afstandscriterium, GGD, Luchtkwaliteit, Stankoverlast, Veehouderij. Bookmark de permalink.

Eén reactie op Brief Peelgroepen aan staatssecretaris over geurbeleid

  1. piet schreef:

    Beste mensen,
    Al eerder heb ik gewezen op problemen met de risico’s voor de volksgezondheid. Nu ook hier volksgezondheid aan de orde is, is er maar een oplossing en dat is het toepassen , of via de rechter afdwingen , van het voorzorgsbeginsel. Zolang geen hard bewijs is geleverd dat de risico’s voor de volksgezondheid zijn afgenomen, dient het voorzorgsbeginsel te worden toegepast.

    Helaas is door de lobby van de landbouw de wetgeving dusdanig gewijzigd dat de burger buitenspel is komen te staan. Dit was reeds bij het megastallen-nee debat al in het werk gezet, immers daar is de principe afspraak gemaakt de wetgeving dusdanig te doen veranderen opdat burgers niets meer in te brengen zouden hebben. Helaas is het nu de realiteit.

    Er lopen nog enkele beroepsprocedures over het toepassen van de wetgeving o.a de reconstructiewet en de wijziging en intrekking ervan. Hiervoor zal de eerste Kamer bewerkt moeten worden om dat geregeld te krijgen.

    Succes, groeten piet

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.